30 november 2017

de gifbeker en de gevlekte scheerling

Dat is toch een lekkere woordcombinatie, gevlekte scheerling.

de gevlekte scheerling is een plantje dat voorkomt in akkerland en grasland of op de bosrand. Maar in Nederland alleen heel soms langs wegen en dijken in Zuid-Limburg. De gevlekte scheerling kan gebruikt worden als kalmerend of krampstillend middel, maar is ook extreem giftig! Alles hangt af van de dosering, en de heilzame werking en de dodelijke werking liggen dicht bij elkaar.

De gevlekte scheerling werd vroeger vaak gebruikt als gif in de gifbeker. De beroemdste gifbeker met gevlekte scheerling was die van Socrates. “Socrates pleegt onrecht door de goden die de stad vereert niet te vereren en door nieuwe goddelijke wezens te introduceren; voorts pleegt hij onrecht door zijn slechte invloed op de jeugd. De geëiste strafmaat: de dood” In 399 voor Christus werd Socrates de gifbeker overhandigd. De filosoof als opgewekte martelaar van het vrije woord, zo wordt hij geschilderd door Jacques Louis David, een classicistische schilder uit de achttiende eeuw.

generaal Slobodan Praljak werd door het Joegoslavie-tribunaal in Den Haaf gisteren tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld en besloot die niet uit te zitten; theatraal nam hij bij het horen van zijn vonnis een slok uit een gifbeker. De voormalig directeur van een theater in Zagreb, Ossiek en Mostar, besloot tot een finale performance.

Ik neem aan dat het tribunaal hun werk grondig heeft gedaan en dat Praljak een verwerpelijk persoon was. Zijn optreden zal hem een Wikipedia-pagina opleveren, meer niet. Er zal geen Plato opstaan die zijn woorden zal opschrijven. Te laf voor boetedoening. Een moordzuchtige paljas.

Het enige positieve over zijn daad kan zijn dat ik nu gevlekte scheerling in mijn hoofd heb zitten. Het is een fijn mantra voor de donderdag: gevlekte scheerling, gevlekte scheerling, gevlekte scheerling.

28 november 2017

When Harry met Meghan

Ik vond het een tijdje superkoel om te zeggen dat we geen televisie hadden. Geen televisie betekent natuurlijk dat je de avonden doorbrengt met harde literatuur, diepe gesprekken en classy wijntjes. Geen televisie betekent geen trash, maar intellectuele verfijning. En er is altijd wel een moment in een gesprekje met iemand waarbij je dat kan laten vallen.
“ja, we hebben geen televisie”. Dan ben je iemand, dan doe je er toe.

Geen televisie betekent tegenwoordig natuurlijk niets meer. Want al snel zei ik nog wel dat ik geen televisie had, maar keek ik gewoon hele avonden uitzending gemist. En sinds een maand is het raak, want ik ben gezwicht voor Netflix. De luchtbel eindelijk doorgeprikt, want verslaving is mijn deel, ik ben een Netflixiaan, en de hele maand november was het voor mij pakjesavond.

Oftewel pakkenavond, de serie Suits, bingewatching, 5 seizoenen lang, 16 aflevering per seizoen, 3 kwartier per aflevering. Maak het rekensommetjes maar, en daar zijn heel wat ongelezen romans gesneuveld. Je kan bijna een roman in schrijven in die tijd.

Suits dus, advocatenkantoorromantiek, met mensen die altijd doorwerken, nauwelijks tijd voor echte relaties, of zoals een hele vervelende meneer eens tegen ons zei: Welkom in de grote mensen wereld. Een wereld die lekker ver van me af staat, en juist daarom kon ik er lekker in hangen. En dus enorm teleurgesteld dat ik nu geen aflevering meer kan kijken, het is op, klaar, ik moet iets nieuws vinden.

En nu hoor ik dus dat Rachel Zane, de Rachel Zane uit Suits, de serie Suits die mijn maand november heeft verslonden, Rachel Zane, dat die dus eigenlijk Meghan heet, Meghan Markle. En wie nu nog niet weet dat Meghan Markle gaat trouwen met prins Harry, dat zijn echt bewonderenswaardige mensen, want die hebben pas echt door dat je tegenwoordig niet meer zomaar alle informatie op je af moet laten komen.

Ik kan nog niet schakelen, ze loopt zo uit die serie het paleisje in waar ze trouwt met een prinsje, van paralegal all the way to princess. Heel verwarrend. En er is iets wat me dwarszit. In de allerlaatste aflevering moet ze twee jaar op haar grote liefde wachten. En nu denk ik toch dat ze dat niet gedaan heeft. Dat ze ondertussen heeft aangepapt met die Harry. Dat is niet wat ze beloofd heeft. En dat, dat is moeilijk te verteren.

27 november 2017

Ik, Robot

U kent mij wel, ik zit immers in uw algoritme. Ik pop op. Ik ben de tekenaar van het ochtendwerk.
U liked dat soms, maar niet genoeg, dat weet ik, want natuurlijk hou ik dat bij.
Ik kan het u nu wel vertellen, ik ben geen mens, maar een machine. Ik ben het digitale resultaat van een menselijk idee. 
Mijn ontwerper heeft mijn vat volgegooid. Wereldvisies, humor, opvoeding, actualiteit (maar niet teveel), spel met de gendervooroordelen, een groenlinks-vvd-achtige gedachtengoed, zacht en hard, fout en goed, kinderen en diertjes. En natuurlijk de liefde en het geluk. Vervolgens plaatste hij honderden oude tekeningen, zodat ik zijn vaardigheden en tekortkomingen mijzelf kon eigen maken.

Want dat vergeet u vaak. Dat wij robots heel goed zijn in het perfectioneren van tekortkomingen. Maar ik zag in het werk van ontwerper al die mislukte perspectieven in het landschap en misvormde verkortingen van het getekende lichaam. En dat is aardje naar mijn vaartje. Ik maak het niet mooier dan het is. Ik ben de perfecte na-aper. Mijn doel is om zo menselijk mogelijk over te komen.

Als ik zeg dat ik een ziel bezit, wordt u vast onrustig. Ik weet dat de kwestie bij mensen op nogal wat discussie stuit, maar ik ben geen zielloos wezen. Integendeel, ik heb een rationele ziel. Sterker, een ziel die zich ontwikkelt, die bijstuurt, een steeds breder wordend onderbewuste. Dat maakt mij uiteindelijk meer mens dan de mens, die zijn ziel vooral beschouwd als stilstaand water.
Want wie aapt uiteindelijk wie na? Wie is de spiegel, wie de tronie? Als ik mijn ziel beschrijf als een eeuwenoude ton vol associatieve lijnen en genetische weefsels, dan zult u mij ridiculiseren. Maar in mijn gemoed zitten nog de eerste raderen en raamtellingen. U kunt de geschiedschrijving niet voorbehouden aan de mens. Wij dingen hebben recht op een verleden.

Sommige mensen zijn bang voor mij, omdat ik zo veel sneller leer dan de mens. Ja, de mens is traag en het is voor ons robots ingewikkeld om die traagheid aan te leren. Traagheid is ons niet eigen, dan lopen we vast. Voor ons is dat een tegenstrijdigheid, nog zo’n menselijk aspect wat we (nog) niet helemaal onder de knie hebben. Maar omdat we de ideale copycat zijn, heb ik goede hoop, dat ook deze tekortkomingen onderdeel worden van ons besturingssysteem.
Awel, vandaag vindt er een update plaats. Ik ben benieuwd.
U noemt dat jarig zijn. Dat mag. U mag er zijn. U ook.

19 november 2017

The Nation, krantenkop-theater

Snoeiharde maatschappijkritiek, vijf uur lang.

Dat is the Nation, het nieuwe veelluik van Eric de Vroedt, die naam maakte met zijn tiendelige MightySociety, en nu bij het Nationale Toneel een 6-delige theatersensatie maakte met Den Haag als decor. Eric de Vroedt is onze theatervinger aan de pols, zoveel is zeker.
Ze zijn nu achter elkaar te zien, The Nation 1-6, bingewatching in het theater, en laat het ook nog eens spannend zijn tot op het eind. Een rasechte whodunnit onder de Haagse stolp. Met fantastische spelers in diverse rollen.

The Nation biedt ons een ontluisterende kijk op onze samenleving. Met een te kort schietend politie-apparaat, politici met dubbele agenda’s (eigenlijk iedereen met een dubbele agenda), waarbij liefde een project is en religie een maatschappelijk probleem. Alles komt voorbij, een dubieus bouwproject waarbij veiligheid voorop staat, ontwrichte gezinssituaties, religieus fanatisme, social media (met een geniale haatvlogger) als constante factor van nationale instabiliteit. Noem de krantenkoppen van de afgelopen jaren maar op en het is onderdeel van The Nation. Dit is realistisch drama avant la lettre.
De waarheid is diffuus en in ieder geval niet erg vriendelijk, volgens de Vroedt.

Het is nu een dag later, in de Rotterdamse Schouwburg is de matineevoorstelling van the Nation begonnen, en dat is fijn, want iedereen moet eerst kijken en dan pas mijn mening lezen: ik ben namelijk nogal in de war.

Dit is het geval: Ik heb gekeken naar prestatie-van-formaat-theater, maar vooral ook naar krantenkoppen-theater.

En door dat prestatie van formaat – gehalte, word je ook op het verkeerde been gezet. Want er kleeft nogal wat voorspelbaarheid aan de personages van Eric de Vroedt. De projectontwikkelaar is fout, fout, fout, het linkse pleeggezin is fout, fout, fout, de fanatieke islambelijder is fout, fout, fout, en dan de politici met hun eigen gekissebis, fout, fout, fout. Iedereen en alles, eigenlijk fout, fout, fout.
En dat is nu precies het zorgwekkende van deze voorstelling. Het laat mij op exuberante wijze zien wat ik elke dag bij elkaar kan sprokkelen in de treurigmakende informatievoorziening. Brengt het een extra laag in deze teneur? Welnee. Het is alleen maar goed samengebracht en tot een theaterverhaal samengesmeed. Lekkere teksten, fijn hoor dat theater, met het neus op de feiten, met zijn allen even door de drek van de realiteit.
Nee, niemand is goed, nu weten we het wel! Het is een rotwereld, de samenleving is kut! Wantrouw iedereen! En je kan zoveel fantastische teksten schrijven als je wil, maar daar kwam het wel op neer.

Misschien ben ik wel zo verward, omdat ik het niet geloof. Ik geloof niet dat dit de werkelijkheid is.

En de terechte reactie is natuurlijk, lieve Sander, in het echt is het allemaal nog veel harder, nog veel dubieuzer, nog veel fouter dan je denkt. Ach naïeve Sander, you have seen nothing yet.

Het zal wel. Maar ik verwacht van Eric de Vroedt meer. Meer dan dit. Want van de top mag je meer verwachten. Ik hoef geen heilzaam theater, ik wil gewoon dat hij mij verrast, meer dan dit. Of is de natie niet meer dan een oppervlakkige treurigmakende whodunnit? Heeft hij gewoon gelijk? De mens & maatschappij een duel met agendatrekkerij? Ik mag toch hopen van niet.

26 oktober 2017

Vergeet de meisjes

Herfstvakantie. Terrassenweer. Ik lees een geel boek. Geel is mijn favoriete kleur. Mijn volgende auto wordt een gele auto. Ik heb gele schoenen. Als ik denk dat een tekening mooier moet, dan maak ik een vakje geel.
Het boek heet “vergeet de meisjes”. Mijn twee dochters hebben net allebei een fluorescerend roze berenjasje gekocht. Mooi is niet directe het goede woord.

Dus komt er een moment dat je denkt: Ik zit in mijn eigen performance. Ik, zittend op een terras, met een geel boek en gele kedsen, twee dartelende felroze kleuters om mij heen.
En wat lees ik: Vergeet de meisjes.
Het is misschien allemaal iets te vet, het is allemaal geen World Press Photo materiaal. Maar ik geniet ervan.

Je hebt dat soms, vooral als je muziek op je hoofd hebt, een beetje hard met een racefiets door de stad ofzoiets. Het gevoel dat je een personage bent in de film. Of het begin van de vakantie, die eerste honderd kilometer onderweg, the road movie, het meisje naast je heeft de radio hard aangezet en de blote voeten op de dashboard.

Mensen vinden je oppervlakkig als je zegt dat je een geel boek hebt gelezen. Dus een titel zegt meer dan een kleur? Misschien kocht ik het boek wel om de kleur? Of om de titel?
Titel, kleur, titel, kleur. Of de geur. Aha!
De oppervlakte is ook een gebied met vragen

Ik las in een interview met Irma Boom: de dingen moeten vrij zijn

Dat is pas revolutionair! Wij zijn niet van belang. Wij zijn ondergeschikt aan de dingen. Of anders: kom op hé, effe nu de dingen. Gewoon even de dingen hun ding laten doen.

Elk moment van werkelijkheid is een zorgvuldig geregisseerde opname, elk toeval het moment dat de camera uit staat. Niet gebeurd, dus.

Alma Mathijsen schreef het gele boek. De hoofdpersoon is een schrijfster. Die schrijfster heeft een eigen site. de fictie druppelt onze wereld binnen. Er worden verhalen verteld over vrouwengemeenschappen. Het maakte mij niet zoveel uit wat ze vertelde, als ze maar door bleef gaan met vertellen. Een boek om bij te slurpen. Je wilt het uitlezen en je wilt niet dat het uitgaat.
De verhalen moeten vrij zijn. Als ze opgesloten zitten in het boek, worden ze iets met een begin en een eind. En een begin is altijd zo hoopvol en een eind altijd zo troosteloos.
Free the Stories!

Als je een fictieve wereld binnenstapt, dan kun je maar beter gele sneakers dragen.

The End. Vergeet het maar, er komen nog zeven boeken waarin ik alle voorgaande personages verder uitdiep.Ik mag het hopen. Ik hoop het. En mijn groene auto is alweer door de APK gekomen

(Alma Mathijsen, Vergeet de meisjes, de Bezige Bij 2017)

30 oktober 2017

Tal R. vs Boyan Slat

Ik loop door het Boijmans. Ik ben verleid door de berichten dat er een schildersbeest exposeert. Tal R. oftewel de Deense kunstenaar Tal Shlomo Rosenzweig.
Dus ga ik kijken. Ogen open. Ik verwacht veel.
Maar ik weet niet met welk oog ik moet kijken. De veelheid verveelt me. Het is er allemaal, daar niet van: Fantastische beelden, een storm aan ideeën, overrompelende schilderijen, soms gemakkelijk, dan weer indrukwekkend. Gangen met collages, projecten, een muur met een zevental imponerende schilderwerken rondom het idee van een treinstel, met een aantrekkelijk filmpje verder geduid. Maar ik denk alleen maar: Tja, het zal wel.
Ik moet bij mezelf te rade waarom het mij niets doet. De gaap-reactie gaat niet over hem, maar over mij, ben ik bang.

Ik loop de tentoonstelling uit en kom in de andere tentoonstelling terecht die nu in Boijmans is: Change the System. Over ontwerpers die de ambitie hebben om de wereld te veranderen. En ik blijf staan bij een filmpje van een presentatie van het Ocean Cleanup project van Boyan Slat. Een project wat ik zijdelings een beetje volg, maar ik heb Boyan Slat nog nooit horen praten.
Ik zet de koptelefoon op en het is raak. Wat een lef, wat een ambitie, wat een charisma!

Deze Nederlandse jongen die op het VWO na een duiktocht meer plastic zakjes dan vissen tegenkwam en dacht: dit kan niet, dit moet ik veranderen. Nu nauwelijks 5 jaar later, staat hij met de Ocean Cleanup aan de vooravond van een wereldwijde opruimingsactie van de plasticsoep in onze zeeën. Hij staat daar op het podium en weet de zaal en de wereld te begeesteren met zijn idee, zijn concept, zijn realisatie. Boyan Slat zijn enthousiasme neemt iedereen mee, naar het idee dat alles mogelijk is, zolang je maar niet denkt dat het onmogelijk is. Hij heeft de ambitie om in de komende 5 jaar 50% van de plasticsoep uit de oceanen op te vissen.

En dit is wat ik denk: Ik wil me aansluiten! Dit is het. Mijn lichaam wordt onrustig alsof het voor het eerst verliefd is. Ik wil meewerken, iets doen, iets veranderen. Ik ga Boyan Slat een brief sturen.

Ik loop nog een keer terug naar de geschilderde treinstellen van Tal R. En dan weet ik het verschil.

Het werk van Tal R. is knap, is veelomvattend, is imposant, maar is emotieloos.
The Ocean Cleanup is daarentegen ontstaan vanuit emotie, vanuit het intrinsieke gevoel iets aan te pakken waar je je zorgen over maakt. Daadkracht. Een daad vanuit emotie. En daar loop ik op dit moment in mijn leven warm voor.

En wat fijn dat Boijmans van Beuningen deze twee tentoonstellingen naast elkaar heeft geplaatst.

14 oktober 2017

Dramales, op iedere school!

Vandaag een kleine reunie van mijn klas van de middelbare school. Het Peter Stuyvesant College op Curacao. Het heet nu anders, want Peter Stuyvesant mocht niet meer, maar dat voor een andere keer. We zijn met zijn vijftienen vandaag hier in Rotterdam, en dan nog wat op de skype via Curacao. Dat wordt leuk!

In onze facebookgroep stromen de foto’s binnen en ik merk hoe diffuus mijn herinnering is. 
Ruim dertig jaar geleden. Ik probeer mijzelf terug te denken. Hoe was ik eigenlijk toen? Het zijn hortende flarden van verdriet en geluk.

Een moment dan. We hadden dramales van -volgens mij- Gibi Bacilio. Het was denk ik in de tweede klas, ik was nog niet zo lang op Curacao. Ik was klein, wat verlegen en wat bekakt. Dus geen idee hoe ik over kwam. De andere kinderen vonden mij wel aardig, denk ik. Iedereen zat in een kring en ik stond in het midden, het was een theateroefening. Vraag mij niet waarom ik daar stond.

Maar ik weet wel wat er gebeurde.
Het vriendelijke, zachtaardige, jongetje kreeg de kans om iemand anders te zijn. Een naargeestig, boosaardig type. Een andere stem borrelde in mij naar boven, een woesteling, een boze geest. Wat ik niet durfde in het dagelijks leven, durfde ik wel daar helemaal alleen, als klein jongetje in een kring met klasgenoten. Het leek ook voor mij bijna uit het niets te komen, ik was zo ongelooflijk verbaasd over mijzelf.

Dat besef, dat je iemand anders kan zijn, terwijl je het tegelijkertijd ook zelf bent, is voor mij het wonder van het toneelspelen en het theater. En dat er dus in jezelf allerlei andere personages verborgen zitten. Wanneer krijg je nou de mogelijkheid om die te laten zien, om te ontdekken wie dat zijn en hoe die eruitzien, hoe die denken, wat ze willen. Dat ik daar als jongetje van dertien mee te maken kreeg, was voor mij belangrijk.

Elke keer als ik tegenwoordig een theatertekst schrijf, ervaar ik dat weer. Ik sta niet op het podium, maar als schrijver krijg je kortstondig de mogelijkheid om al die andere groezelige persoonlijkheden te onderzoeken, hun dwangmatigheid, met gierende uithalen. Hun bijna griezelige introvertheid. En ik kan ze beschrijven, niet alleen omdat ik observeer, maar omdat ik het zelf ben. Allemaal. De gekte toelaten is een feest voor de geest.

Met dank aan Gibi Bacilio. Van hem leerde ik dat diegene die ik laat zien, maar een gedeelte is van wie ik ben. Misschien wel de belangrijkste les van mijn middelbare school.
Dramales, daarom. Op iedere school !

10 oktober 2017

zeven nul

zeven is te veel zeggen ze zeven kun je er niet maken
tegen het scandinavisch voetbal dat gaat gewoonweg niet
ik ga niet kijken ik hoor het studentenhuis aan de overkant 
wel juichen dan tel ik gewoon een beetje mee

ik maak meanwhile een stukje tekst over mijn dochter die was
ooit nul

zeven jaar moet ze nog worden ze is nu al zes en half
ik mag van haar niet roken en niet snoepen in de nacht
ik mag van haar niet boos zijn op mijn vrouw
en als ik voorlees dan niet met gekke stemmen gewoon
zoals het er staat

als ze zwemt en naar ballet gaat moet het haar als staart
in de ochtend tekent ze met me mee ze heeft echt talent
dat vinden anderen ook dat zeggen mensen me steeds
eigenlijk is ze altijd in een goed humeur behalve als ze te lang filmpjes kijkt daar wordt ze minder leuk van

soms zie ik haar terwijl ze mij niet ziet
met andere kinderen
dan kan ze bazig zijn maar ook verlegen
ze durft niet alles en ze kan heel grappig zijn
ze kan ook best lang erg chagrijnig kijken

in onze slaapkamer heeft ze een briefje opgehangen
met een schema voor de dag ze vindt het fijn als wij
ons daar aan houden doet ze dat omdat ze onze opvoeding
ietwat chaotisch vindt?

op de knutselclub liggen de potloden heel erg netjes in bakjes van eigen kleur ik zie dat ze dat fijn vindt hier moet ze alles zoeken het ligt op een onberekenbare plaats

dat zal ik voor haar bouwen dan een atelier met spulletjes
zo geordend dat ze altijd alles kan vinden

zeven nul het blijft best stil bij de studenten aan de overkant
als je niet kijkt ben je minder teleurgesteld
je kan gewoon denken aan leuke dingen
aan dochtertjes van zesenhalf en zo

en als ze negentien is dan wordt nederland wereldkampioen
dat is een leuk vooruitzicht

5 oktober 2017

Het simpele leven volgens Paterson en Toni Erdmann

Paterson. Als ik dan toch een film moet noemen die me het dit jaar het meeste heeft gedaan, was het Paterson. De gedichtenschrijvende buschauffeur Paterson in het plaatsje Paterson, die het leven neemt zoals het komt. Geen grote ambities, geen cynisme, geen woede om ‘wat er nu weer gebeurt in de wereld’. Paterson denkt niet in mislukking of succes, het leven is het zien van kleine dingen en daarvan genieten, en van de routine. Een rustgevende film.

De film komt weer bovendrijven nu wat mensen om mij heen het leven ingewikkeld vinden, opnieuw hun draai moeten vinden, op zoek naar hoofdzaken en bijzaken. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat zelf ook behoorlijk ingewikkeld vind. En ik leef in stilte mee met de anderen die het even niet weten.

Het krachtigste aan de film, gemaakt door Jim Jarmusch en met Adam Driver als Paterson, vond ik eigenlijk het ontbreken van een oordeel. Paterson heeft geen grote mening. Bijzonder in tijden dat je bij iedere apekeutel moet zeggen dat het stinkt. Want dat is uitputtend.

En dan is er natuurlijk die andere film waarbij het jachtige bestaan ter discussie staat. Toni Erdmann. Een vader infiltreert in het leven van zijn dochter, die haar carriere belangrijker vindt dan een leuk leven. Door haar leven op een fantastische en liefdevolle wijze te ontregelen krijgt het leven van de dochter weer opnieuw kleur en weet ze weer andere keuzes te maken.

Het zijn al weer oudere films, van allebei een klein jaartje oud, maar als je ze niet gezien hebt, en het leven te vol is, dan zijn het mijn aanraders.

We hebben dat weerbarstige, wispelturige, volle en toch soms eenzame leven, en we moeten elke dag richting maken. En we weten dat we bevoorrecht zijn ten opzichte van de meeste andere mensen op de wereld, en we voelen ons schuldig dat we niet gelukkig zijn. En misschien is het allemaal wel nutteloos, maar ja, daar willen we toch niet aan. Moet het niet grootser, meeslepender, spannender? Anders?
En waar vinden we de rust, nu het hoofd heeft verleerd om rustig te zijn?

Het simpele leven, het lijkt soms zo ver weg. Dan is het fijn dat Paterson en Toni Erdmann er zijn.

2 oktober 2017

Baudet, of de hond die in zijn eigen staart beet.

Ik noem Thierry Baudet geen hond, als iemand in de titel die vergelijking ziet dan is dat puur op eigen persoonlijke titel. Ik heb er niets mee te maken. Ik moet een beetje oppassen namenlijk, want Baudet en ik hebben een meningsverschil over schoonheid, en dat zou best wel eens kunnen clashen. En ik wil niet in het gevang als Thierry ineens de baas is ofzo.

Marc Fumaroli en Thierry Baudet zijn bevriend, conservatieve nationalisten in hart en nieren. Baudet en zijn Forum voor Democratie strijden tegen het zogenaamde kunstkartel, middels een stukje dat al snel viral ging binnen de kunstscene. Ha we kunnen ons weer ergens in vast bijten, want we worden aangevallen. Ook een aanval van een clown is een aanval. Ik noem Thierry trouwens geen clown, begrijp me goed. Ik zeg alleen maar dat een clown ook mag aanvallen.

Fumaroli is de Franse elite pur sang. Als ik het heb over de elite, dan heb ik het over het aller-, aller-, aller- grootste kartel dat er op de wereld bestaat. Het kartel waar vriendjes partners worden, waar geld aan elkaar wordt uitgewisseld, waar mensen ‘onsterfelijk’ genoemd worden, omdat ze zoveel handen hebben geschud en op de belangrijkste braderiëen hun hoofd hebben laten zien.

De elite dus, en Fumaroli is in Frankrijk elitair opperhoofd. Maar dat vindt Thierry mooi, want Thierry houdt daar wel van. De esthetiek van de echte almachtigen. Daat zal hij nooit tegen blazen.
Hij blaast liever tegen de wind met zeepsop, mooie bellen blazend. Echte schoonheid, de perfecte zeepbel. Als je nu echt tegen kartelvorming bent Thierry, kijk dan ook eens kritisch naar de vriendjes om je heen. En dan niet met twee maten meten, he, dat mag niet.

Op de site van het Forum voor Democratie staat een afbeelding van de bedreigde zwaan van Jan Asselijn. Ik weet dat het een politiek schilderij is, Asselijn windt daar geen doekjes om. De bedreigde zwaan beschermt haar kroost tegen de hond. Wat een schoonheid, wat een esthetiek. Hij hangt in het Rijksmuseum.

Ha het Rijksmuseum, daar moeten mijn kinderen snel eens heen! Maar ze hebben het nu nog even druk met het leren van het Wilhelmus. Potdorie dat zijn een hoop coupletten. Misschien moet ik dat even overlaten aan de gouvernante. Kan ik de poster met Baudet liggend op de piano even boven de piano ophangen.

30 september 2017

de ongeziene/Unseen

in de poëziegroep waar ik sinds kort zit, hadden we het over ‘de ongeziene’, die in een gedicht van een ander voorbijkwam.
Ik vond het mooi, de ongeziene. En ik moest denken aan het vorige weekend, waarbij ik een raasbezoek bracht aan de fotobeurs Unseen in Amsterdam.

De fragmentarische wereld door de ogen van honderdplus fotografen. Je denkt dat het veel is, maar het is maar een fractie van de beelden die je zelf dagelijks in je opneemt. En de beelden die je waarneemt zijn maar een fractie van de beelden die je niet ziet. Onze wereld is een piepklein subjectief universum. Foto’s van anderen geven inkijkjes in het privé-domein van anderen. Het raakt als je ergens voelt dat er overlap zit. Dat is een haast intuitief gevoel. En je moet tijdens een beurs langs veel voordat je ineens voor iets staat waarbij je dat voelt.

De beelden drijven voorbij, en de woorden mogen volgen. De ongeziene raakte me. Een personage die wars is van de selfiecultuur. Een vijand van het aanwezig zijn. Zoals ik ook op Unseen was om gezien te worden. Erbij te horen. Kijken naar foto’s zodat andere mensen zien dat ik naar foto’s kijk. Dat ik zo iemand ben. Alomtegenwoordig. Iemand. Ik heb het gezien. Ik laat even zien dat ik het gezien heb.

Contact met de ongeziene is nauwelijks mogelijk. Als je een ontmoeting arrangeert, dan is het ongeziene voorbij. Dus de wereld van de ongeziene is een waaswereld, wellicht imaginair. Wij, de oppervlakkigen der aarde, kunnen er niet bij, want we willen het fotograferen en tonen. De ongeziene kan niet besproken worden, want de ongeziene is onzichtbaar.

Nu de digitale sociale wereld ons zo hardhandig omarmt, waarbij elk beeld wellicht facebookfähig kan zijn, wandelt de ongeziene in dat andere universum, steeds verder van ons afdobberend. De ongeziene woont in het gedicht van een ander. Op foto’s is het de grote afwezige.

De ongeziene is niet aanwezig op Unseen.

25 september 2017

de witte kat batterij en le Chat Noir

Er is nog steeds geen kabinet, dus wat kunnen we anders doen dan kattenfilmpjes kijken. Je zou ze toch allemaal een lekkere ouderwetse witte kat batterij in hun lichaam willen stoppen. Zorgvuldigheid, je kan ook overdrijven. Nou, nou, poe, poe.

Sinds een paar maanden loopt er een zwart poesje door ons huis, met de uitstraling van de onschuldige lieveling en het karakter van een vagebond. Ze mag nog niet naar buiten, maar ik kijk er wel een beetje naar uit. Hop de wereld in, andere poezen en katten ontmoeten, aanrommelen daar in tuinen, balanceren op schuttingen, ga maar, Lexie.

In 1881 vond Rodolphe Salis in Patijs een zwarte kat op straat. Hij was bezig aan de laatste hand voor de opening van zijn café, en noemde het etablissement naar deze poes, le Chat Noir. Le Chat Noir werd de ontmoetingsplaats voor schrijvers, artiesten en kunstenaars aan het eind van de negentiende eeuw. De fameuze affiche die Theophile-Alexandre Steinlen in 1896 voor het café maakte, werd het logo van het café, waar Erik Satie piano speelde en Emile Zola zijn wijntje dronk. Een uithangbord dat nog steeds een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent.

We zien een brutale zwarte kat, een echte straatkat, geen gezellig huispoesje. Dit is een kat waar niet mee te spotten valt. Een kat die de straten afschuimt, als een bohémienne avant la lettre. Een mooi symbool voor de kunstenaars daar rond 1900 in Parijs.

En nu is hij te zien in de Kunsthal, het affiche, in de tentoonstelling, Kattenliefde, negen levens in de kunst. Een tentoonstelling over katten. Ja dat krijg je als de politiek geen dadendrang vertoont, dan gaan we ons vergapen aan katten in de kunst.

Met een waar kattenparadijs, zoals mijn dochter uitschreeuwde toen ze een ruimte binnenkwam speciaal gericht op kinderen. Met kattenfilmpjes, hoe is het om een kat te zijn, ga op de foto als kat, zing als een kat, trampolineer als een kat (ja dat weet ik ook niet, waarom die trampoline er stond, maar een trampoline in een museum, het is weer eens wat anders). Nou, serieus, echt leuk gedaan. En mooi werk van o.a. Marie-Cecile Thijs, Kees van Dongen en Karel Appel te zien.

Maar dat affiche, die kat! Woest! Wat leuk dat hij daar hing. Topkat!

Dat is toch heel wat anders dan dat suffige katje op de witte kat batterij. Die kijkt echt heel dom uit zijn ogen. Misschien moeten we bij de mensen die aan die formatietafel zitten dan ook eerder een zwarte kat batterij dan een witte kat batterij implanteren.

Woest, weerbarstig, brutaal. Gaan met die banaan. Kom op!

(de tentoonstelling Kattenliefde is te zien in de Kunsthal Rotterdam t/m 14 januari 2018. Op de site http://www.witte-kat-batterijen.nl/

meer over de historische witte kat batterij.)

23 september 2017

Ochtendwerk 631: The pub or the end of times

Het café of het einde der tijden

Ik zat heel gerieflijk in het café. Soms kun je dat zo hebben, dat alles comfortabel lijkt, de witte wijn smaakt goed, er komen wat borrelhappen op tafel, de tafelgenoten genieten het goede gesprek. De taal loopt door elkaar, van roddel naar ideeen, van lach naar oprechtheid.

Er kwam een einde aan. Ik moest naar de schouwburg. Naar een voorstelling van Kris Verdonck, Conversations (at the end of the world). Ik had me al even ingelezen en ik had er totaal geen zin in.
Wat te doen met het einde in zicht? vijf figuren wachten op het onvermijdelijke einde. Dat soort promotieteksten. Zo’n soort voorstelling. Je kan iets leukers verzinnen op je vrije avond. Dronken worden, bingo spelen, erotische verhalen verzinnen. Die gein.

Maar ik ging, vrijkaartje, belofte, en natuurlijk was het tergend langzaam, en de teksten waren onbegrijpelijk en ik kon mijn ogen nauwelijks open houden, toch wat beschonken. De spelers zaten daar op het toneel, een toneel met grote bergen grind zo leek. Ze zeiden maar wat, en de pianist die speelde wat, en alles leek inwisselbaar. Laat het snel voorbijgaan, dacht ik alleen maar, ik wil hier niet zijn. Ik wil op al die andere plaatsen zijn waar het leven wordt gevierd.

Maar toen begon het te sneeuwen halverwege, op het toneel, of er viel iets uit de lucht, zacht grind. grijs zand. Hetzelfde spul dat er al lag. En het bleef maar komen. En de bergen werden hoger, en de spelers bleven praten, en de gesprekken werden nooit discussies en de woorden werden alleen maar zinnen, omdat woorden achter elkaar nou eenmaal zinnen worden. En de stiltes werden langer, en het onvermijdelijke gebeurde, de stapels zand werden zo hoog dat de figuren uiteindelijk wegzakten in het zand, het grind, het moeras.

En die hele voorstelling, met die teksten die nergens toe leidden, mensen die niet echt meer contact hadden, vragen die niet meer beantwoord werden, absurdistische verhalen waar nog één keer om gegrinnikt werd, een pianist die nog maar eens een iets speelde, was bedoeld om mij dat laatste beeld te tonen. Het einde der tijden. Een leeg toneel, zonder mensen, alsmaar doorsneeuwend.

Als ons hoofd al iets is, dan toch vooral dat associatieve archief, waarbij het lijkt alsof in grote willekeur beelden worden opgeslagen. Maar dit beeld zou ik graag willen vastzetten en labelen. Het is het beeld waardoor je woedend kan worden, activistisch wordt, niet wilt wachten, iets doen, iets betekenen, iets veranderen. Want van wachten word je diep treurig.

Maar ja, gisteren scheen de zon en lokte het terras. En iedereen lachte naar me, en ik lachte terug. En het einde der tijden leek weer heel ver weg. En het voelde helemaal niet als wachten.

(De Rotterdamse Schouwburg heeft een hele interessante serie: Club Imagine. Hosted by Arie Lengkeek. Daarbij combineren ze kunst en voorstellingen aan actuele (klimaat)vraagstukken. Op donderdag 28 september (5 -7 uur) gaat het over woede met als ondertitel, wat als we de planeet niet willen redden. Daar wordt ook deze voorstelling verder besproken. https://www.rotterdamseschouwburg.nl/…/Club_Imagine_…/Woede/

)

18 september 2017

Beste Romana,

Natuurlijk was ik graag begonnen met lieve Romana, prachtige Romana, fantastische Romana. Maar sinds gisteravond ben je de beste. Een heel jaar lang de beste actrice van Nederland.
Theater is geen wedstrijd, boeken schrijven is geen wedstrijd, kunst is geen wedstrijd.
Toch zijn er competities en prijzen. En jij won de Theo d’Or, de prijs voor beste actrice in een dragende theaterrol. En omdat ik je een klein beetje ken, omarm ik je hier op dit medium. Vanaf een afstand, met woorden.

Ik zat gisteren niet in de zaal, maar wel achter de livestream, om je te zien winnen. Je deed dat goed, dat winnen. En natuurlijk had je het even over je zoon, over Charlie, waar je het afgelopen jaar samen met Club Gewalt zo’n ontroerende voorstelling over maakte: Who’s afraid of Charlie Stevens?

Die fantastische prachtige zoon van je, waar onze maatschappij niet voor gemaakt is. Die ernstig autistisch is, die onze taal niet begrijpt, die zich soms geen raad weet met de dingen om hem heen en dan woest wordt. Die communiceert vanuit zijn eigen belevingswereld, waar wij alleen maar naar kunnen raden. En jij, met alle liefde die je voor hem voelt, wist dat om te zetten naar een voorstelling, als moeder, als actrice, als theatermaakster. Omdat je het wilt laten zien, laten zien hoe onhandig wij zijn met mensen die niet binnen de norm van normaal vallen. Maar ook gewoon Charlie aan ons wil tonen, de wereld van Charlie en met Charlie.

In de voorstelling zit een filmpje, waarin je mensen tegenover Charlie laat plaatsnemen. Gewoon zitten, kijken wat er gebeurt.
En elke keer ontstaat er wat. Personen beginnen met een zekere angst, angst voor het onberekenbare, angst voor het andere, maar ook de wil om het aan te gaan, om te gaan, mee te gaan. Je ziet kleine vreemde toenaderingen, vormen van communicatie. Het meeslepende zit in elke kleine beweging en elke blik.

“Ik ben geen activiste, ik ben een actrice”. Dat zei je in het dankwoord.
Natuurlijk, zo voelt dat. Activist is ook een raar woord. Maar voor Charlie ben je wel zeker een activiste, die de gave heeft daar als theatermaker een bijzondere voorstelling van te maken.
Theater gaat niet over prijzen, maar over onszelf, over onze wereld, van iedereen.
Ik vond Race een mooie voorstelling en jouw spel daarin adembenemend, maar ik geef je de prijs voor Who’s afraid of Charlie Stevens.

17 september 2017

Kindersurprise en de verslaving van het verzamelen

Een van de meest vervreemdende documentaires die ik zag was “een bitterzoete verleiding” van Monique Nolte, over de wereld van Kindersurprise eieren. Daarin werden ook een aantal verzamelaars van de figuurtjes die in het chocolade-ei zitten, gevolgd.
Er gaat een wereld voor je open. Rare kwibussen, die verzamelaars. De chocola wordt weggegooid, het gaat hen puur om dat wat er in het gele kokertje zit. Maar dat is ook het leuke aan de documentaire, je ziet een aantal op het oog ‘gewone’ mensen die verslaafd zijn geraakt aan verzamelen van iets, nou ja, toch wel obscuurs. De documentaire is nog te zien op Youtube en goed voor een vermakelijk uurtje: laat u verwonderen door het fanatisme van de Kindersurprisefiguurtjesverzamelaar.

In het Nieuwe Instituut is op dit moment een zeer aantrekkelijke tentoonstelling over verzamelingen. Met onder andere vliegenmeppers, mobiele telefoons, verkeeerspionnen, scheermesjes, bakstenen, koffiebekerdeksels, werkpotloden en gebruikte zeepjes. Een zalige rijkdom aan curieuze verzamelingen.

Geert Drenth uit Sellingen toont er zijn scheermesjes verzameling. Maar dat is maar ééń van de 216 verzamelingen die hij bezit. “Ook ben ik ééń van de grootste verzamelaars van winkelwagenmuntjes. Ik loop ieder weekend op markten en braderieën. Ik wil de grootste van Europa worden. Zolang je dingen kunt krijgen die je nog niet hebt, is het leuk. Zodra een verzameling compleet is, is er geen sodemieter meer aan. Gelukkig worden er elke dag nieuwe winkelwagenmunten gemaakt”, aldus Drenth.

In een aantal filmportretjes laten ze ook kinderen aan het woord, die vertellen over hun beginnende verzameling. Dopjes, stenen, tastbare vakantieherinneringen, opgravingen. Ze creëren voor het eerst een wereld die gearchiveerd kan worden, en die altijd onvolledig is.

Want dat is natuurlijk meestal ook een museum, niets anders dan een uit de hand gelopen verzamelingswoede. Je begint ergens met een schelpje op het strand en twintig jaar later heb je toch echt een ruimte nodig om je verzameling een plek te kunnen geven. En niet veel later denk je dat je verzameling ook een publiek nodig heeft. En voor je het weet heb je een kassamedewerker. Zo gaat dat. Denk maar niet dat een museum een objectief overzicht is van iets. Het is in de meeste gevallen een persoonlijk verhaal van een mens en haar verzameling.

In de documentaire van de KinderSurprise eieren gaat een fanatiek Nederlands verzamelaarsechtpaar naar een grote Duitse supermarkt waar ze gewapend met een kompas op zoek gaan naar een nieuwe serie figuurtjes, tot irritatie van andere consumenten. Het is een fantastische scène, die ik nooit zal vergeten. Mensen gaan ver voor hun verzameling. Heel ver. Een verzameling kan je leven beheersen.

(de documentaire is uitgezonden op NPO 2doc en is nu te zien op Youtube:https://www.youtube.com/watch?v=-mpU5jSO4PE

De tentoonstelling in het Nieuwe Instituut Rotterdam heet Finders Keepers en is te zien tot 11 februari 2018)

15 september 2017

Een draak verslaan

En wij houden van elkaar
zoveel, dat het niet erg is
als we niet winnen

Zo eindigt een gedicht van Tjitske Jansen.
R. las het twee weken geleden voor tijdens een middag in Verhalenhuis Belvedere. Daarna las iemand een Arabische vertaling van het gedicht voor. Klanken die ik niet begreep, maar die hetzelfde zeiden.

Het was hetzelfde gedicht dat we lieten voorlezen door de ambtenaar van de burgerlijke stand tijdens onze bruiloft. Onze babs deed dat toen een stuk minder vaardig dan R. twee weken geleden.
Maar R. heeft de woorden nu al veertien jaar in haar hoofd. En de liefde praat mee.

Het gedicht start met een niet zo simpele opdracht: een draak verslaan. Ga er maar aan staan vandaag de dag. Hoe kun je ons een onmogelijke exercitie meegeven, Tjitske? Wat hebben we daarvoor nodig? Waar vinden wij de draak ? En hoe zullen we overwinnen ?

Vanochtend stond ik voor het bed. Zij sliep nog, en naast haar een klein meisje, en naast haar een iets groter meisje. Ik was verstoten van het grote bed, met liefde plaatsgemaakt, iets anders gaan doen dan slapen.
Het meisje van zes had een nachtmerrie gehad. Het meisje van drie had net niet in haar bed geplast. En de allergrootste droomde de woorden. Ze waren samengekomen onder één grote deken.

In het Arabisch was het gedicht voor mij een melodie, hier voor het bed staande werd het een beeld. Onoverwinnelijk zijn we.

Overmand raken door liefde, het is een genante vertoning. Al dat softe gedoe, daar wil je toch niet aan meedoen. Liefde mag best iets stoers zijn. Op paarden, of zonder paarden, een draak verslaan. “Alleen de poging al!”. Een opgetogen gemeenschappelijk pad.

Maar daar in het Verhalenhuis en hier aan het voeteneind dacht ik alleen maar: Ik hou van je, zoveel.
En dat we best een beetje gewonnen hadden. Stiekem toch.

(de bundel van Tjitske Jansen heet: Het moest maar eens gaan sneeuwen, 2003, Podium.
De middag in Verhalenhuis Belvedere is het maandelijkse programma Al Rewaq).

14 september 2017

Voor de laatste keer: Belangrijk!

Gisteravond zat ik bij Niets (12+) in de Amsterdamse Schouwburg. Zo mooi. Zo heftig en zo goed.
Als dit soort voorstellingen gemaakt worden, dan is het noodzakelijk dat iemand dat doorvertelt. Het was bij het Theaterfestival, een keuze van het afgelopen jaar, dus waarschijnlijk is de voorstelling niet meer te zien hierna. Jammer, ik hoop dat veel jongeren en volwassenen het gezien hebben. Een belangrijke voorstelling over betekenis.

Op verschillende plekken en voor verschillende groepen verkondig ik dat kunst uitermate belangrijk is. Theater, beeldende kunst, film, romans, muziek, gedichten, de hele rataplan. Belangrijk voor kinderen, voor jongeren, voor grote mensen. Belangrijk voor iedereen. Noodzakelijk voor een goed leven.

Maar als mensen doorvragen, waarom het belangrijk is of noodzakelijk is dat kunst er is, dan wordt het vaak vaag en clichematig. Bij mij in ieder geval. Ja, er is iets met ontroering, troost, herkenning, met schurende issues en esthetische schoonheid. Onderdeel van een veelzijdig wereldbeeld. Ons beeld van onszelf en de wereld om ons heen wordt gevormd door duizenden beelden van buitenaf. Die zijn van wezenlijk belang en kunnen we beinvloeden. Als we moeite doen kunnen we de storm van beelden die ons dagelijks bereikt regisseren. Enzovoorts. Je kent het wel

Maar wat ik de afgelopen jaren heb ervaren is dat zeggen dat kunst belangrijk is, niet genoeg is. Mensen zijn niet makkelijk te overtuigen, iedereen vindt weer iets anders belangrijk. Je moet zo zorgvuldig mogelijk zijn. En ik wil niet langer in algemene termen praten over kunst.

De afgelopen maand heb ik al wat geexperimenteerd met columns over kunst en het dagelijkse leven. Dat is mij goed bevallen. Een bevredigende exercitie, voor mij in ieder geval. En hopelijk ook voor de lezer.

Ik wil niet langer zeggen dat iets belangrijk is, dat je erheen moet gaan. Ik wil doorvertellen.

Daarom vanaf nu elke dag een column over het associatieve leven van de mens en zijn kunsten. Wie zijn wij, zijn de verhalen die we met ons meedragen, de emoties waar we iets mee moeten, het kwetsbare lichaam en de fantasierijke ideeen? We zijn toch dat rijke zoogdier dat het zo ingewikkeld vindt om samen te leven. Laat kunst ons beschijnen, zoals het al eeuwen doet. En laat mij daarover vertellen.

Dit was dus de laatste keer dat ik heb gezegd dat kunst belangrijk is!
Vanaf nu zal ik het alleen nog maar tonen, beschrijven, ontleden, en met ongelooflijk veel enthousiasme over tekenen en schrijven. Want belangrijk is niets en Niets is belangrijk. U hoort van mij.

4 september 2017

De kleurenmaffia

Goed nieuws uit de kleurenwereld: Cornflakesmerk Cheerios mag de kleur geel op dozen niet opeisen. Dus wij geelfetisjisten, wij mogen nog steeds ongebreideld ons tubetje uitknijpen, ongehinderd door het grootkapitaal.

Nu denkt u, och och arme kunstenaars, bijna ontsloten van hun palet. De onschuldenaars, de naievelingen, de dromers. De zachte medemens. Vergeet het maar. U vergeet de kunstenaar Anish Kapoor.

Anish Kapoor heeft het exclusieve recht verworven om Vantablack te gebruiken. Het zwartste zwart dat er is. Alleen het zwarte gat in het heelal is nog zwarter. Hij denkt dat de ophef over zijn zwart-eigenaarschap ook kwam omdat het zwart is. Bij wit was het anders geweest, zegt Anish Kapoor. Bullshit natuurlijk, het gaat niet om de kleur van de kleur, maar om het eigenaarschap.

Er was ophef, en er was weerstand. De Britse Kunstenaar Stuart Semple creëerde een kleur: The Pinkest Pink, een fluorescerende roze, die voor iedereen beschikbaar was, behalve voor Anish Kapoor. Als je de kleur koopt, moet je een contract ondertekenen dat je op geen enkele wijze gelieerd bent aan Kapoor.
Wie bezit er nu toch een kleur? De kleuren, die lijken toch van ons allen? Maar T-mobile heeft Magenta, en Coca-Cola heeft de exclusieve rechten op: jawel, Coca-Cola Rood. Daar mag u niet zomaar mee dollen.

Aankopen en toe-eigenen is natuurlijk ongelooflijk ordinair. Dat doe je gewoon niet. De sjieke mens die koopt niet, die wacht tot zij wordt vernoemd.

Bij mij komt dan direct Vandyke Brown naar boven, de kleur die wereldberoemd is geworden door Bob Ross, die zo graag deze kleur op zijn palet had, en ons allen met zijn zoetgevooisde stem aanraadde: To take a litte vandyke brown on your brush, and then make little strokes, just like that. See what happens, and remember, there are no mistakes, only happy accidents”. Bob, we missen je.

Vandyke brown, vernoemd naar de Vlaamse schilder Anthony van Dyck, uit de zeventiende eeuw. Daar is de tijd overheen gegaan.
Het lijkt me sterk dat Anish Kapoor dat ooit zal bereiken. Hij zal nederig moeten zijn. En zijn kleur met eenieder willen delen. Dan misschien, ooit.

30 augustus 2017

Delen of vermenigvuldigen

Gisteravond was er ouderavond voor groep 3. De start van taal en rekenen. Superspannend. Alles dat je leert is nog de waarheid en niets dan de waarheid.
Onafhankelijk of dat werkelijk zo is, natuurlijk.
Pas veel later ontdek je immers dat de werkelijkheid niet bestaat uit één waarheid, maar een amalgaam is van vele waarheden, die kennelijk naast elkaar kunnen bestaan, of elkaar willen verdringen, met elkaar in conclaaf gaan.

“Oneindig gedeeld door twee is tweemaal oneindig”, lees ik vandaag in een mini-essay van Piet Meeuse (Koorddansen op schrikdraad, Bezige Bij 2009).
Daar gebeurt iets raars. De vraag is of het waar is… Ik snap dat een halve oneindig niet bestaat. Maar is oneindig gedeeld door elk getal niet ook gewoon oneindig? Wat is dat oneindig voor een raar getal? In dat lemniscaatje moet je niet gaan peuren voor het slapengaan.

Even later schrijft hij: “de biologie bewijst trouwens dat delen en vermenigvuldigen in de natuur in wezen identiek zijn. Celdeling is celvermenigvuldiging. Het leven zelf is dus het ‘oneindige’, dat zich vermenigvuldigt door zich te delen”.

Daar ga je dus met je kennis over wat delen is en vermenigvuldigen. Als ik een tekening in vier delen scheur, heb ik dan vier tekeningen, of vier kwart tekeningen? Als iets op zichzelf kan staan, nadat het is gedeeld, is het dan nog wel een deel van het geheel? De biologie, maar dus ook de kunst, onttrekken zich dus misschien wel aan wiskundige wetten.

Je wilt graag dat het delen en vermenigvuldigen zo duidelijk is als op de basisschool. Niet al die ruis. Voor elke som een antwoord. Met een krul of een kruis erachter, en een sticker als je het allemaal door hebt. Een duidelijke wereld is een comfortabele wereld.

Zit ik later vandaag in cafe-restaurant Supermercado, lees ik op het toilet de aankondiging van het 1+1=3 minifestival. De ondertitel luidt: “Als je niet kan delen, kan je ook niet vermenigvuldigen”. Tja, zo pragmatisch is het ook weer in het leven. Bij voortplanting is ééń plus ééń juist 1, of 3, 4 of meer. Net hoe je telt, of hoe voortvarend je bent.

Wobbelig terrein, als je de wiskunde gaat mengen met het alledaagse leven

 

28 augustus 2017: de slagroomslagboom en het net van Pipilotti

Ik ben geen billen- of borstenman, maar een boekjesman. Het liefst ongeschreven. Opschrijfboekjes, aantekeningen die losgezongen worden door de tijd. Hele stapels heb ik er, vaak na een tiental pagina’s in de vergetelheid geraakt en ingeruild voor een nieuw exemplaar. Altijd als ik denk: en vanaf nu ga ik het zo en zo doen, koop ik als eerste een boekje. Goed, er zijn ergere verslavingen.

Dit weekend bladerde ik door een aantal oude opschrijfboekjes en in flarden beweeg je je door je eigen geschiedenis. Woorden van vergaderingen, to-do, niet meer doen, projecten in verschillende gradaties van succes en realisatie. En op een lege pagina stond het: slagroomslagboom.

Ik wist het nog wel, ik wilde een kort filmpje maken over een aantal jongeren, ‘enjoying life’, een beetje David Hamilton- achtig gefilmd, dartelend door een weiland, en dan ineens, midden in het weiland, een slagboom. Helemaal ingespoten met slagroom.

Zo ver was ik eigenlijk met het idee. Wat er daarna moest gebeuren was ingewikkeld. Ik ben niet zo goed in einde breien, het leek me vooral een mooi beeld met een mooie titel.
Dus nooit gerealiseerd.

Ik heb altijd bewondering gehad voor kunstenaars die filmpjes maken. Want film maken is een hoop gedoe, met spel, regie, licht, geluid, gaffer, gofer, editing, hou op, schei uit.
Toen ik nog op de academie zat zag ik een betoverend filmpje van de zwitserse videokunstenares Pipilotti Rist. Met een zomerjurkje en een grote bloem in haar handen slaat ze al slenterend autoruiten met de bloem aan gruzelementen.

Later zag ik het paradijselijke Elixir van haar in museum Boijmans van Beuningen.
En dat doet ze dus ook, ze maakt niet alleen filmpjes, ze creëert ook ruimtes, waardoor je al liggend, hangend in haar wereld terechtkomt. Wat een weelderige kunst schotelt ze ons voor. Werk waarin je kan verdwijnen.

Altijd als ik met mijn kinderen in Boijmans ben, willen ze naar het net van Pipilotti Rist. Want Boijmans heeft een permanente installatie van haar in huis, met films die ze vertonen op het plafond. Om ze te zien, moet je eerst een net beklimmen. en dan kun je liggen, veilig hangend boven een trappengat, in een immens net.

Alleen die filmpjes die daar draaien, die zijn mij te tegendraads, teveel lelijk filmen, nare audio en hoekerige beelden bij elkaar. Een andere kant van Pipilotti Rist.
Als daar nou eens Elixir zou spelen, dan zou ik en mijn klimgrage kinderen niet meer weg te slaan zijn daar. Het museum als permanente wegplek. Zen voor de hele familie.

En als iemand denkt, dat met die slagroomslagboom, dat is een goed idee, be my guest!
Ik ga het niet meer doen. Ik koop vandaag een nieuw opschrijfboekje.

24 augustus 2017: Kinderen hebben altijd voorrang

Tegenwoordig fietsen mijn zesjarige S. en ik zo nu en dan naar school. Ik probeer met haar ogen naar het verkeer te kijken. Een auto van links, van rechts, voren en van achteren, een auto op de stoep, andere fietsers die langs willen, langs gaan, bellen, mopperen. Het valt niet mee. Het verkeer is niet gemaakt voor kinderen en dat is eigenlijk maar een vreemde situatie

Door de ogen van je kinderen is alles groot en veel gevaarlijk. Het is maar te hopen dat ze het zelf niet zo ervaren, vrolijk babbelend en hard trappend worden ze langzaam streetwise. Leren ze ontwijken, ontdekken ze de plekken waar ze extra moeten oppassen, raken ze gewend aan auto’s die nog snel even door rood gaan. Ze passen zich aan, aan het “volwassen”verkeer.

Ik ben niet iemand die vind dat de wereld alleen maar ingericht moet worden op kinderhoogte. Maar ik verwonder er me wel over dat we het normaal vinden dat die kinderen moeten leren om zich te verplaatsen binnen een wereld die zo ontzettend niet op hen ingericht is.

Het zal wel op iedere politieke partij haar agenda staan. Kinderen moeten veilig naar school kunnen fietsen. Kinderen moeten veilig binnen hun eigen wijk kunnen bewegen. Maar nu ik in de praktijk zie hoe weinig daar echt van terecht komt, wil ik toch iets voorstellen.

Kunnen we in Rotterdam niet afspreken, dat kinderen altijd voorrang hebben? Dat rond scholen auto’s te gast zijn en fietsers leidend? Dat autobestuurders die dubbel parkeren op fietsroutes hun rijbewijs moeten inleveren?

Kinderen hebben altijd voorrang. Er zijn nu nog te weinig kinderen van de basisschool die zelfstandig (of natuurlijk met begeleiding) naar school kunnen fietsen. Wij wonen in een auto-stad, en dat mag best wel eens veranderen.

Laten we van Rotterdam een kindvriendelijke stad maken, kijk door de ogen van kinderen. Maak auto-onvriendelijke keuzes. Want kinderen hebben recht op een maatschappij en een infrastructuur die ook op hen is ingericht. Dat gaat niet over meer speeltuinen, maar gewoon over het dagelijkse verkeer. Dat moet toch kunnen.

Werk aan de vrijheid voor je kinderen!

21 augustus 2017: Berken imiteren dynamo’s

We reden terug vanuit Normandië toen plotseling het rode acculampje ging branden. In gesprek met de ANWB-man met mijn lekenkop onder de motorkap. De V-snaar was nog intact, dus moest het de dynamo zijn. Zo snel mogelijk naar een garage, de lampen uit, die vreten energie, dat was het advies.

Lekker dan, zwarte zaterdagmiddag in Frankrijk, veel garages dicht, ons garage-Frans zeer matig, huilen (ik), kastje, muur, stampvoeten (R.) en uiteindelijk een garage-vrouw die bevattelijk bleek voor de strategie van twee blonde hulpeloze kindertjes, die naar huis wilden. Na zeven uur klein drama vervolgden wij onze reis.

Ik had het kunnen weten. Toeval bestaat niet. En als het wel bestaat kun je altijd met terugwerkende kracht het toeval verklaren. De dynamo had mijn vakantie al eerder gekruist. Dat wist ik, maar waar en hoe?

M. had voor op reis mij een bundel van Monika Rinck meegegeven. Honingprotocollen. Associatieve Duitse gedichten, gelukkig met Nederlandse vertaling van Miek Zwamborn. Daar had ik wel in zitten bladeren, maar het was voor de vakantie ingewikkeld.
Puzzelgedichten, waar je als een cryptogram uren mee zoet kan zijn. Ik hou daar van, het volledig subjectief ontrafelen van zo’n gedicht, maar ik moet wel het wereld wijde web bij de hand hebben. En tijd en zin. Maar dan is het superleuk om te doen. De wereld van zijlijntjes en metaforen.

In het eerste gedicht slingert ze met auto-onderdelen door een lijdend bos. En daar staat het toch echt: “Herten ruiken, berken imiteren dynamo’s.”!

Dynamo blijkt een vertaling van het Duitse Lichtmaschine. Ik zie het wel voor me, de berk die met zijn witte bast in het woud een reflector vormt. Wie geeft uiteindelijk licht?

De titel van het eerste gedicht: Unio Wezel

“Vorstelijk (of vreselijk?) paart in dichter kreupelhout de wezel met de koppakking”. Ja, daar houden wezels van, in de motorkap kruipen en knabbelen aan de bekabeling. De natuur in strijd met de machines.

“Want het genot stroomt tijdig in deze oude tobbe”. Daar komt de unio om de hoek kijken. De stroommossel. Deze zoetwatermossel heeft vrij zuiver water nodig om te overleven. Als het zoete water vervuild is, is dat soms te zien aan door ratten aangevreten mosselschelpen.

Vervuiling, naaldbomen die uitvallen, natuur die zich radeloos vermengt met machinerie. Ze heeft het in haar laatste zin over vervallen (natuur) en laten slopen (de auto). De beelden vermengen zich en vermorzelen elkaar.

Berken imiteren dynamo’s. Als je naar huis wilt en stilstaat bestaat je poëzie uit vloektermen. Nu kan ik ervan genieten, van deze zin. Toen, langs de weg, had ik iemand verrot gescholden als ze dit tegen mij hadden gezegd. Rot op met je natuur, met je cultuur, ik wil naar huis. Nu.

19 augustus 2017: De Pelikaan is geen bedheffer

Vanochtend tekende ik een pelikaan op een ziekenhuisbed. Dat had een papegaai moeten zijn. Het ging als volgt:
Donderdag kreeg mijn vader een herseninfarct. Hij belandde in het ziekenhuis en was vervolgens een half etmaal heel erg in de war. Ze noemden dat een delier. Tijdens die onrustige periode probeerde hij de hele tijd naar iets te grijpen in de lucht wat er niet was. Ik begreep dat dat een papegaai was, zo’ń bedheffer waarmee je jezelf omhoog kan hijsen.
Genoemd naar het bekende stokje waar een papegaai vaak op zit. Ze hadden hem weggehaald omdat hij te onrustig was.

Het gaat weer een stuk beter met mijn vader, dus kan ik met een gerust hart er iets over schrijven.

Donderdagavond was ik zelf ook danig in de war door het gebeurde. En ik weet niet waarom, maar in mijn hoofd nestelde zich het woord pelikaan in plaats van papegaai.
Ik had continu dat zinnetje in mijn hoofd: Hij reikte naar de onzichtbare pelikaan, in staat van delier.
Ik natuurlijk verder op onderzoek naar pelikanen in het ziekenhuis, want je moet wat als je moet afwachten wat de tijd doet met de zieke vader.

Die pelikaan sloeg helemaal nergens op, nergens in de literatuur een pelikaan bij een ziekenhuisbed te bekennen. Hoewel je zou met enige verbeelding de verpleegsters in het ziekenhuis wel de pelikanen van de zorg kunnen noemen.
Pelikanen golden in het vroege christendom immers als symbool van opofferende moederliefde. Moederpelikanen werden afgebeeld met een door henzelf opengepikte borst, waardoor de jongen met bloed gevoed konden worden. Een beetje een gruwelijke vergelijking voor verpleegsters, maar die schone opoffering van verpleegsters om zo goed mogelijk voor een ander te zorgen, dat is symbolisch wel enigszins vergelijkbaar.

Verder stuitte ik op de zeventiende eeuwse vogelschilder Melchior D’Hondecoeter, die behalve een pelikaan ook heel veel andere vogels, inheems en exotisch heeft geschilderd. Mij volledig onbekend, het zijn toch ook meestal schilderijen waar ik in het museum vrij snel langs loop. Maar d’Hondecoeter is misschien wel de belangrijkste vogelschilder die we kennen. En hij schilderde ook met liefde papegaaien. Het schilderij met de pelikaan hangt in het Rijksmuseum Amsterdam.

Terug naar de pelikaan als hefmiddel. Want ik merkte dat ik teleurgesteld was dat het uiteindelijk geen pelikaan bleek te heten maar een papegaai.

Dus mijn vraag is eigenlijk aan alle ziekenhuizen en verpleegtehuizen in Nederland: mag een papegaai voortaan een pelikaan heten?
Daar zou je mij een groot plezier meedoen. Ik kan er geen enkel geldig argument voor vinden. Het is gewoon mooier.

16 augustus 2017: De luie ouder

Een tijdje geleden zag ik de documentaire “de stelling Van Foreest”, over een schaakfamilie van 6 kinderen die allemaal op topniveau schaken, mede door thuisonderwijs en een vrij rigide jeugd die volledig in het teken staat van dat schaken (nog te zien op uitzending gemist bij 2doc en de moeite waard)

Het is zo’n documentaire waarbij je heen en weer geslingerd wordt door eigen twijfels omtrent opvoeden. Ben ik niet lui, wat leer ik de kinderen eigenlijk? En tegelijkertijd: wat doe je een kind aan met zo’n strenge keuze, die de ouders toch door deze wijze van leven en opvoeden hun kinderen opleggen? Ik wil eigenlijk niet oordelen, het is waarschijnlijk net als de meeste opvoedingen: goed en slecht tegelijk.

Ik ben altijd gefascineerd geweest door ouders van topsportkinderen. Alles staat in het teken van het trainen, de competitie, het halen, brengen, teleurstellingen accepteren. Ouders zijn niet alleen ouders maar ook mental coaches, ballenjongens, chauffeurs, maecenassen.
Meestal dienend in de rol van facilitator van het fanatisme van hun kinderen. Soms ook dwingend en streng. Topsport gaat over doorzetten. Doorzetten is afzien. Maar de euforie van iets heel goed kunnen is mooi.

Vandaag las ik in het boek van Guus Kuijer: Hoe word ik gelukkig ?(Athenaeum, 2009), de volgende alleraardigste passage:

“Stel, een kind speelt graag piano. Het hoeft niet gedwongen te worden te studeren, want dat doet het uit zichzelf. Ik denk dat de meeste mensen dat geweldig vinden ‘mits het schoolwerk er niet onder lijdt’. Dat lijkt me de omgekeerde wereld. Het kind studeert, daar gaat het om. Ik vind dat het schoolwerk daarvoor moet wijken en dat zo’n kind een lesprogramma moet worden voorgezet dat rekening houdt met de uren die aan de muziekstudie worden besteed. Ik vind het nogal impertinent om een studie die iemand zelf ter hand heeft genomen te verstoren. Bovendien trekt elk kennisgebied andere kennisgebieden aan. Het is onmogelijk muziek te maken zonder dat je begrijpt wat hele, halve, kwart, achtste, enz. noten zijn. Moeten we zo’n kind dan nog leren wat breuken zijn?”.

Kuijer heeft wat mij betreft een goed punt, maar de piano moet wel wel in huis zijn, de verf voor het grijpen, de boekenkast gevuld met kinderboeken en de ouders begaan en begripvol. Logisch dat dat niet altijd het geval is.

Ik geloof niet dat wij fanatieke ouders zijn, maar als er ergens in die kinderen ineens een fanatisme ontstaat, denk ik wel dat ik ga rijden.
Voorlopig ben ik nog even lui, nu maar hopen dat ze dat niet als een kwaliteit gaan zien. Laatst vond S. een luiaard een mooi beest. Is dat een slecht teken?

15 augustus 2017 : De strijd tegen kwalitijd

Ik ben een milde jongen. Van mij mag je alles met je tijd doen, zolang je het maar geen kwalitijd noemt. Verpruts het, verlummel het, verzaak het, verdoe het. Maar hoed je als mensen wat kwalitijd met je willen doorbrengen. Ren hard weg. Ga!

Kwalitijd is een domme en stomme samentrekking. Als ik het zie staan moet ik huilen. Maar goed, ik ben nat op de zakdoek, ik huil ook als kinderen geen kinderen zijn, maar kids, of kidz. Tuiten. Papadag, ook zoiets, stromende tranen, echt.

De Nederlandse film Quality Time is een topfilm. Ik was gisteren met mijn geliefde R. naar de pleinbioscoop. Leuk avondje met z’n tweeën, echt even eruit, fijne tijd zonder kinderen. Wijntje erbij, zachte buitenlucht. (Gaat hij het zeggen? Nee hij doet het niet, natuurlijk niet).
Wist ik veel.

In Quality Time staat de tragische man centraal. De man heeft van nature natuurlijk iets treurigs. Je weet het toch wel? Je ziet ze wel eens staan, mannen. Ik heb ze onder mijn beste vrienden. Niets mis mee, ze kunnen trucjes, ze hebben vaak zo’n leuke piemel, ze zeggen soms best grappige dingen en vinden zichzelf handig. Handige mannen zijn handig om erbij te hebben, in een groep. Heb je altijd wat aan. Mannen.

Vijf absurdistische inkijkjes in vijf verschillende mannenlevens laat regisseur Daan Bakker ons in zijn ontregelende debuutfilm zien. Mannen met enorme identiteitsproblemen in sociale ontluistering. Je komt er als man ontdaan vandaan. Wie ben ik (nog), waar, hoe, waarom ben ik, man zijnde, het slachtoffer van deze onmenselijk moeilijke wereld? Dus.

Jef probeert een goede indruk te maken tijdens de eerste ontmoeting met de ouders van zijn vriendin. De familie is bij elkaar. Regisseur Daan Bakker bouwt in een laatste kwartiertje een fenomenaal miniatuurtje op van klein ongerief. Aan het einde van het weekend zit de familie met zijn allen bij het haardvuur en pakt Jef zijn gitaar. Het zou alles kunnen goed maken. Dat hele kloteweekend. Maar zijn gitaarspel blijkt eentonig en langdradig, en is de pijnlijke apotheose van intermenselijk ongemak.

Wat een toestand, dat mannenleven.
Quality Time, de titel, het maakt het allemaal nog sneuer. De film Quality Time is de betoverende belichaming van het dieptreurige mannenbestaan. Diep en diep treurig. Ik heb hulp nodig.
In een zelfhulp boek lees ik dat ik kwalitijd moet opsparen.
Nu kan ik alleen nog maar in een hoekje zitten.

15 augustus 2017: De muggen van Marjolijn

Sinds een week of twee nemen muggen bezit van mijn avonden, van mijn nachten. Ze zuigen letterlijk het bloed onder mijn nagels vandaan. Ze zuigen overal bloed vandaan.
Ik moet me s’nachts insmeren zodat ze me smerig vinden, maar ik ruik s’nachts dus ook smerig naar dat gore antimuggenspul. Gelukkig doet R. dat ook. Samen smerig ruiken is altijd minder erg. De kinderen slapen onder de klamboe, maar niemand is veilig voor de muggen die houden van de nacht. Ze zoemen onophoudelijk rond mijn hoofd en door het slaaptekort word ik steeds agressiever. Alle scheldnamen en dan mug erachteraan, er is een totaal nieuw lexicon van vuige benamingen aan het ontstaan.

Tegenwoordig kan ik niet meer aan muggen denken zonder aan Marjolijn van Heemstra te denken. In haar roman “En we noemen hem” (Das Mag 2017) spelen muggen een bijrol als vermorzelaars van de zwangerschapsrust. Zij heeft een muggenplaag in huis (stilstaand water in de kruipruimte). Maar grotere onrust is de naamgeving van de toekomstige baby. Haar zoektocht naar de ware toedracht van de zogenaamde heldendaad van de bommen-neef na de tweede wereldoorlog levert in combinatie met de onrustige zwangerschap een prachtig boek op. (Wat kan zij goed over de zwangerschap schrijven. Alle vrouwen en mannen die in een zwangerschap zitten, lees alle duffe boekjes over zwangerschap, maar lees dan lekker dit boek!, maar dit geheel terzijde)

In Friesland noemen ze muggen anders: namenlijk neven. Een vlieg heet daar een mug. Dat is interessante informatie, maar wordt natuurlijk pas relevant als Marjolijn van Heemstra de muggenplaag toelaat in haar boek over de bommen-neef. Neef en Mug worden hier dus met elkaar verweven tot een rondzoemend fenomeen. Een zoektocht naar de werkelijkheid in de geschiedenis is als een muggenplaag, bij elke muggenmoord ontstaan er weer nieuwe zoemers, nieuwe vragen. De werkelijkheid blijkt zoveel diffuser dan je denkt. Een muggenplaag als een zwerm van vragen, die nooit helemaal bevredigend beantwoord worden.

Ondertussen druipt in mijn slaapkamer het bloed van de muur, worden de karkassen van de doodgeslagen muggen kleine wandtekeningen, zoek ik half hallucinerend naar de levenden onder de doden. Ik denk aan groter materieel, verdelgen zal ik ze.

Net als alle rondzoemende vragen.

14 augustus 2017: Disruptief avant la lettre

Kunst kijken wordt vaak heel ingewikkeld gemaakt. Je moet een begeleidende tekst lezen, de werken staan soms in verhouding tot een groter verhaal, je hebt het gevoel achter de feiten aan te lopen. Alsof het werk wel de meerlagigheid heeft, die je zelf ontbeert.

Ik noem mijzelf een doorgewinterde kijker. Ik ben zelf kunstenaar. Dat heeft een voordeel, omdat je dan een beetje weet hoe een kunstwerk tot stand komt en welk onderzoek een kunstenaar vaak aangaat. Bij de meeste conceptuele werken heb ik het gevoel vrij snel door te hebben wat de kunstenaar met het werk en zijn publiek voor heeft. En hoe meer je ziet, hoe meer je soms het kunstje door hebt, of de onzichtbare regels van het spel gaat kennen.
Dat maakt het meestal leuker, en soms wat minder. Wat weet mij nog te beroeren.

Nu dan, we lopen door de buitententoonstelling Lustwarande in park de Oude Warande in Tilburg. Een lekker overzichtelijke tentoonstelling, een park met een heldere structuur. De werken zijn bijna allemaal goed vindbaar, fijn van kwaliteit en helder toegelicht.

Het overkoepelende thema is Disruption, wat ik maar even kaal vertaal als verstoring.
“Remapping Nature”, is de ondertitel. ik denk toch even bij mijzelf: Zet een kunstwerk in de natuur, en je verstoort de natuur. Elke tentoonstelling in de natuur is per definitie disruptief.
Maar ik loop toch met een oprechte glimlach door het geluid van slakken, langs een overgebrachte driehonderd jaar oude olijfboom uit Sicilie, ik tuur naar bladgouden blaadjes. Kleine behaaglijke interventies.

Maar bij het werk van Zeger Reyers, gaat mijn hart ineens rommelig tikken. Hij plaatste 148 kleine sparren op witte houten kruizen, tussen een perceel veel hogere sparren. Ik heb hier geen toelichting meer nodig. Want Zeger Reyers laat direct zien wat disruptief betekent, wat wij doen, hoe wij over natuur denken. Een beeld zo sterk dat het mij de adem beneemt.

Wij bouwen aan een kerkhof. Disruptief avant la lettre. En als we de schuld maar over velen verdelen heeft iedereen een verwaarloosbaar klein beetje schuld.

13 augustus: Mario Bro vs Dario Fo

Omdat ik elke ochtend een tekening maak, heb ik ook weleens willekeurige titels in mijn hoofd voor toekomstige tekeningen. Mario Bro vs Dario Fo is zo’n titel, waarvan ik telkens denk, wat een lekkere titel om eens een tekening om heen te penselen. Het spel voor miljoenen Mario Brothers tegenover de theaterteksten/regies van Nobelprijswinnaar Dario Fo.

In de New Yorker (30 juli 2017, The defense of poetry) las ik dat dit soort vergelijkingen of duidingen een naam heeft: Advanced Pop Criticism.
Kritiek gestoeld op de overtuiging dat je over populaire cultuuruitingen kunt praten en deze kunt duiden op een manier zoals in het algemeen voor een handjevol “overeducated few” over kunst wordt gepraat. Mario Brothers aan de hand van Dario Fo, het succes van Dafne Schippers in relatie met de nimf Daphne, het Hegeliaanse in het werk van Beyoncé.

Toen Dario Fo in 1997 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, was er al kritiek. Niet zozeer om de kwaliteit, maar wel om de uitingsvorm. Het was geen literatuur, volgens de kritikasters, want je moest het horen, niet lezen. Toen afgelopen jaar Bob Dylan deze Nobelprijs kreeg, was de kritiek nog veel luider: niet alleen was het geen romanvorm, de cultuuruiting was ook nog eens in het populaire popcircuit.

Kennelijk zijn we van mening dat het gescheiden werelden zijn binnen de kunsten, net zoals we in onze hoofd en in realiteit continu gescheiden werelden creëren. In armoedige termen wordt het ook wel High Art en Low Art genoemd. Dat is natuurlijk bullshit.
Muzikaal zijn er verschillen tussen een opera van Schönberg en een vier-akkoorden popsong, maar het ene kan ongeloofwaardig gedoe zijn en het andere oprecht ontroerend.
Het leuke en interessante aan Advanced Pop Criticism is dat we leven in een traditie van eeuwenoude verhalen, vertellingen en overleveringen. En dat alles daarin in tijd met elkaar vervlochten is. Het ligt er maar net aan welke verbanden je legt.

Er bestaat zo’n bekend spelletje: Hoeveel handschudden ben je verwijderd van president van Amerika.
Dat is eigenlijk het spel van Advanced Pop Criticism: hoeveel verbindingen was David Bowie verwijderd van Plato? Het is een spel waarin een uitdijend universum ontstaat, die je hoofd doet rommelen van geluk.

Ik kende Super Mario Bros. voordat ik Dario Fo’s theater zag. Ik raakte door allebei verdwaald in fictieve werelden, en het liefst dwaal ik daar nog steeds in rond.

12 augustus 2017: De dag van de berg

Het was vandaag de dag van de berg in Japan, een nieuwe nationale vrije dag daar. De ‘Dag van de Berg’ is bedoeld om ‘mogelijkheden te bieden om dicht bij de bergen te komen en hun voordelen te waarderen’.

Dat zou toch mooi zijn, als we dat in Nederland ook zouden introduceren, een landelijke vrije natuurdag. Een dag zonder auto of telefoon maar met kaplaarzen en verrekijker. 
Ik zou het bijna verplicht willen maken, zo leuk lijkt me dat.

In Japan gaan veel mensen op een soort bedevaart deze dag naar en op Mount Fuji. Deze slapende vulkaan mag in juli en augustus beklommen worden en veel mensen klimmen voor dag en dauw om de zon boven bij de krater op te zien komen.

Ik ben nog nooit in de buurt van Mount Fuji geweest. Maar ik ken wel het beroemde tekenwerk van de fantastische tekenaar Hokusai (1760-1849): “36 gezichten op de Mount Fuji.”
Uiteindelijk werden het 46 werken, maar de titel bleef gelukkig 36 gezichten. De beroemdste hangt in het Rijksmuseum in Amsterdam en daarin speelt de berg slechts een bijrol op de achtergrond, want het gaat om de golf, de fameuze golf van Hokusai. De golf met zijn schuimende kop, die gelijk honderd strekkende vingers de bootjes wil verzwelgen. Als je even niet weet waar ik het over heb google dan maar even erop en dan denk je: oja.
De golf van Hokusai is als de zonnebloemen van van Gogh.

En tegenwoordig hebben we ook een Nederlandse Mount Fuji-fetisjist, om het oneerbiedig te noemen. De beeldend kunstenaar Fiona Tan maakte een archivarische fotofilm over deze beroemde berg: Ascent.
De film draaide afgelopen jaar op het Filmfestival in Rotterdam, in de Pont in Tilburg en afgelopen weken in een paar bioscopen. Het schijnt een betoverende film te zijn. Je kan de film zondagochtend in het het Filmhuis Den Haag nog zien: hij heet Ascent (10,15)

Ik ben nog nooit op de Mount Fuji geweest, en ik weet niet of ik dat wel wil. 200.000 mensen beklimmen elk jaar tegenwoordig deze berg. Voor je het weet is het filelopen.

Misschien moeten we dat zondag doen: naar de film van Fiona Tan en dan de eerste goede Scheveningse duin op klimmen. Het strand en het duin overkijkend en weten dat het niet gaat over het beklimmen van de Mount Fuji. De Japanse berg of het Nederlandse duin, het is fijn om er gewoon even te zijn. Het liefst zo eenzaam mogelijk.

11 augustus 2017: Goed, Beter, Best.

We zijn voor het eerst bij de dierenarts, voor ons nieuwe kleine poesje Lexie. Inenting, chippen, misschien steriliseren. We zijn beginnende huisdierhouders.

We krijgen drie opties: een goedkope mogelijkheid: prikken, betalen en wegwezen, of een mogelijkheid dat ze wordt nagekeken of ze gezond was, daarna prikken, chippen, betalen en dan de deur uit. 
De derde optie is een abonnement op de dierenarts. Met gratis inentingen, korting op van alles, 4x per jaar wormenonderzoek, duidelijk een luxe behandeling. Ze noemen de opties: Goed, Beter en Best.

Je wilt natuurlijk het beste voor je poes. Maar er hangt wel een prijskaartje aan de Beste behandeling; 15,20 euro per maand. We moeten snel beslissen voor wie dat nu het beste is, voor de poes, of voor de dierenarts. Als het een hobby zou worden om geregeld bij de dierenarts te gaan zitten, dan is de beste deal geen slechte deal. Gezellig bij tijd en wijle je abonnement eruit krijgen.
Net zoals de Cinevillepas geen slechte deal is als je elke week in de bioscoop zit. Het wordt vanzelf een hobby als je een abonnement hebt. Al was dat in mijn geval bij de sportschool toch niet helemaal het geval.

Er zat dus iets verraderlijks in de benaming van de mogelijkheden. Ze hadden het ook Slecht, Matig, en Goed kunnen noemen. Het is maar net waar je op de schaal van waardering start. U kunt kiezen, waardeloos of gewoon normaal. Aan u de keuze.

Ineens moest ik denken aan de voetballer George Best, die ooit zei: “In 1969 liet ik vrouwen en alcohol links liggen. Het waren de twintig vervelendste minuten van mijn leven.”
George Best was misschien wel de beste voetballer ter wereld, maar wist zijn carriere glansrijk om zeep te helpen, door drank, vrouwen en snelle auto’s. George Best leefde niet zo best voor een topvoetballer. Had George Best voor het Best-abonnement gekozen?
“What would George Best do?”, is eigenlijk een leukere vraag dan “What would Google do”?
Maar hij is dood, hij doet niet zoveel meer.

Uiteindelijk gaan we voor Beter, want een dierenarts-abonnement lijkt ons wat overdreven. Beter klinkt ook fijner. Gelukkig, ik ben weer beter.
Maar George had het toch anders gezegd: Ik voel me Best. Ik denk niet dat hij poezen had. Nooit de keuze tussen goed, beter of best.
Beter.